top of page
  • Max Schmermbeck

Bespiegelingen over het verlangen om afstand te nemen: het dronkenschap



Laat ik beginnen met een simpele vraag: wat is de relatie tussen drinken en afstand nemen? Een voor de hand liggend antwoord is dat drinken wordt gekenmerkt door een vlucht uit de realiteit, een beweging weg van de frustraties, somberheden en beslommeringen van het dagelijkse leven. In dat perspectief is drinken bij uitstek een vorm van escapisme; de dingen lopen niet zo lekker, dus zoek je je heil in de roes van de drank. Hoewel dit vluchtgedrag voor veel mensen ongetwijfeld ten grondslag ligt aan hun dronkenschap, denk ik dat het slechts een deel van het verhaal vertelt. Drinken maakt een vorm van ervaren mogelijk die meer om het lijf heeft dan een simpele verdoving of korte kick; zij legt namelijk een existentieel verlangen bloot naar mogelijkheid en speling. Naar het niet-vaststaan van de dingen. Naar onbepaaldheid. In de roes van de drank vervaagt de scheiding tussen het proces en de creatie, de reis en de bestemming, de beweging en de stilstand. Daarmee is het een vorm van afstand nemen, maar ook juist een van dichtbij komen; bij intuïtie, gevoel, of persoonlijke waarheid. Dat maakt haar zo ontzettend interessant.


Ik wil daar direct aan toevoegen dat ik hiermee dronkenschap op geen enkele manier probeer te verantwoorden, verdedigen, goedpraten of stimuleren. Dagelijks gaan er talloze mensen kapot aan de gevolgen van drank, en dat feit moeten we niet bagatelliseren door drank te romantiseren of te verheerlijken. Ik wil in deze tekst echter geen oordeel vellen over de vraag of drank ‘goed’ of ‘slecht’ is, want dat is filosofisch gezien volstrekt oninteressant. Wat ik wél wil doen, is onderzoeken waarom drank zo’n magische aantrekkingskracht heeft op mensen door de contouren te verkennen van een beschonken bewustzijn dat op een andere manier denkt, voelt en beweegt. Iets destructiefs kan evengoed fascinerend en aantrekkelijk zijn. Dat is één van de centrale gedachtes van deze tekst.


Voordat ik de relatie tussen dronkenschap en afstand verder uitdiep, wil ik eerst stilstaan bij het volgende citaat over de beroemde schrijver Franz Kafka en de aantrekkingskracht die hij voelde tot de kunst van het schrijven:


“Hij geniet van wat voor hem onder de sociale dwang van het leven een kwelling wordt: de eigen onbepaaldheid, de oneindige mogelijkheden van het imaginaire die hij kan ontvouwen, zonder ze door onherroepelijke beslissingen te hoeven reduceren; hij geniet van zijn eigen meerduidigheid, die hem echter direct beangstigt als hij onder de sociale dwang tot eenduidigheid komt te staan. In het schrijven, dit “aarzelen voor de geboorte”, geniet hij van het moment waarop hij nog niet onder de suggestieve kracht van de levensbevorderlijke ficties van het ware, het goede en het nuttige terecht is gekomen. In het schrijven ligt alles nog open en hangt alles nog van jezelf af, van de genade van de creatieve inval. Het is ook het moment dat vóór de val in de ideologische en sociale “waarheden” ligt, waar elk normaal leven vroeger of later bescherming bij zal zoeken. Het is het ogenblik waarop je alles nog kunt verzinnen, omdat er niets objectief bindends bestaat, waarvoor je zou moeten buigen.”


Ik zie in dit citaat een sterke overeenkomst tussen Kafka’s aantrekking tot schrijven en het verlangen naar afstand waar de roes van het dronkenschap aan beantwoordt. In het dagelijks leven gaan veel mensen net als Kafka gebukt onder de ‘levensbevordelijke ficties van het ware, het goede en het nuttige’, wat ik interpreteer als de gigantische verzameling aan mythes, structuren, rollen, gedragingen en patronen die de samenleving in stand houden. Door deze ficties toont de wereld zich aan ons als een georganiseerd, coherent en rigide geheel waarin wij een rol toebedeeld krijgen die gepaard gaat met bepaalde verwachtingen, gedragingen, nederlagen en overwinningen. Deze sociale rigiditeit wordt denk ik goed gevangen in het oer-Hollandse credo ‘Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg’. Houd je aan de regels, val niet buiten de boot, loop in de maat, en doe wat je moet doen. Dan zijn we allemaal beter af.

 

Afgezet tegen dat kader lijkt dronkenschap precies te zijn wat ik aan het begin van deze tekst juist verwierp; een vlucht uit het saaie, starre sociale leven via exces en verdoving. Dat is echter niet het geval. De crux zit namelijk niet zozeer in de verdoofde staat van zijn die drinken uiteindelijk oplevert (de bestemming), als wel in het proces van de verdoving (de reis daar naartoe). Het gaat er niet om dat je dronken bent, het gaat er altijd om dat je dronken aan het worden bent. Dat lijkt een subtiel semantisch verschil, maar in wezen kenmerkt het een compleet andere ervaring; niet een van stomme verdoving, maar een van ambiguïteit, onbepaaldheid, en mogelijkheden. Van het losser worden van het ‘ik’, dat neurotische wezentje dat constant op onze schouder zit en met ons meekijkt.


Om deze drang naar onbepaaldheid verder te duiden, is het zinvol om iets langer stil te staan bij de aard van verlangen. De Britse filosoof en cultuurcriticus Mark Fisher geeft in Capitalist Realism (2009) een briljante analyse van de paradoxale manier waarop streamingdiensten als Netflix en HBO onze verlangens heel goed lijken aan te voelen, maar deze toch nooit helemaal kunnen bevredigen. Zijn punt is dat de algoritmes waar deze diensten op draaien zo zijn geprogrammeerd dat zij ons aanbieden wat wij eigenlijk al kennen; dat zorgt er immers voor dat we blijven kijken. Wij vinden iets leuk, grappig of spannend, en krijgen vervolgens tien producten aangeboden die daarop lijken, waardoor de kans groot is dat we daar ook van zullen genieten. Eigenlijk zou dit ons verlangen moeten bevredigen, want we worden nooit teleurgesteld. Alles is leuk, begrijpelijk, en vermakelijk. Wat Fisher echter stelt, is dat wij in deze cyclus van voorverpakte consumptie nooit écht bevredigd kunnen worden omdat we helemaal niet verlangen naar datgene wat we al kennen. We verlangen namelijk naar datgene waarvan we niet weten dat we het willen totdat we het hebben. Met andere woorden, we worden pas écht geprikkeld als we iets tegenkomen dat buiten ons verwachtingspatroon ligt, dat zich op onbekend terrein bevindt, dat vreemd, onwennig of merkwaardig aanvoelt. Dat gevoel van verrassing en ontzetting is waar we diep van binnen naar verlangen, omdat het ons contact laat maken met dingen die bijblijven in plaats van wegglijden. Het zet dingen op losse schroeven en schudt de boel op. Die spanning kenmerkt de paradox van het verlangen: we zoeken naar bevrediging in het bekende, maar vinden die slechts in het onbekende.


Deze paradox verklaart denk ik een deel van de aantrekking tot de roes die veel mensen ervaren. Het gaat er niet zozeer om dat je jezelf naar een bepaalde staat wilt brengen, maar dat er in de weg daar naartoe iets onverwachts kan gebeuren, iets nieuws, iets geks. Het proces van de roes biedt de mogelijkheid voor opwellingen, intuïties, en uitprobeersels, en is op die manier bevrijdend. Een volle kroeg, club of café is op die manier gezien eigenlijk een unieke mini-samenleving waarin andere regels gelden, andere dingen toegestaan zijn, en waarin de lucht zwanger is van mogelijkheden. Dat is niet zozeer een vlucht weg van de dingen als wel een sprong naar een andere vorm van bestaan; van het samenvallen met jezelf als proces, in plaats van als persoon. Van afstand nemen en tegelijkertijd dichtbij komen. Van pathologische waarheid.


Daarmee heeft het dronkenschap een unieke verhouding tot afstand nemen. Omdat het beschonken bewustzijn zich begeeft in de kloof tussen proces en persoon opent zij de deur naar een vreemde combinatie van existentiële puurheid en benevelde tragiek. Er is ontzettend veel vreugde in de roes van de drank, maar nooit zonder een bepaalde triestheid; het feest wordt gevolgd door de kater, het moment van inspiratie gaat gepaard met verwarring, aan de impulsieve beslissing kleven spijtgevoelens. In de roes komen ze allemaal samen. Dat maakt haar, in al haar lelijkheid, lompheid en misère, een fascinerend fenomeen.

Comentarios


bottom of page