Verlangen als verlengen
- Lex van der steen
- 12 minutes ago
- 10 min read
This text is a transcript from a reading held at a conference on the relation between love and philosophy at the University of Leuven on the 8th of november, 2024. Because the ideas presented here build on the structure and etymological root of a specific Dutch word, I have chosen not to provide an English translation, as I doubt whether an adequat translation would be possible.

In Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, een verzameling van kleine etymologiën van de Nederlandse taal, schrijft P.H. Schröder dat het woord ‘verlangen’ oorspronkelijk de betekenis had van een ‘te lang vallen’, net zoals het woord ‘vervelen’ verklaart kan worden als het te veel worden van iets. Het Etymologisch Woordenboek van Van Veen en Van der Sijs beschrijft de oorsprong van de term ‘verlangen’ ook toe aan de betekenis van ‘lang vallen’, ‘uitstellen’, ‘langer maken’, en het ‘verlangen naar iemand die men lang niet heeft gezien of iets dat men lang heeft begeerd’.
Het samen vallen van verlangen en verlengen gebeurt ook in Spinoza’s conatus begrip. De conatus, voor Spinoza, is een drang, een streven tot het voortzetten van zichzelf, een drang tot zelfbehoud, dat alle dingen toekomt. Dit streven is daarmee ook de essentie van elk ding. De Italiaanse filosoof Giorgio Agamben formuleert een interpretatie van Spinoza’s conatus-begrip waarbij het in verband komt te staan met liefde en verlangen. In Che cos’è la filosofia schrijft Agamben “de term conatus dient niet vertaald te worden, zoals dat normaal gedaan wordt, als ‘streven’, maar als ‘eisen’ ... of verlangen”. Wanneer we Spinoza’s conatus begrip in deze zin begrijpen, dan is er ook hier gelijktijdig sprake van een verlangen in de zin van willen, en van verlangen in de zin van verlengen, langer maken. De conatus is het verlangen het eigen bestaan te verlengen, het is het verlangen zichzelf te verlangen.
Essentieel aan Agamben’s behandeling van het beminnelijke is dat het verlangen en het verlangde samenvallen. In L’uso dei corpi schrijft Agamben dat “sinds conatus identiek is aan het Zijn van het ding, is het verlangen te volharden in het eigen Zijn een verlangen naar het eigen verlangen, jezelf te constitueren als verlangend. In conatus vallen verlangen en zijn samen zonder residu.” Agamben benadrukt dat op het moment dat het verlangen en het zijn volledig samenvallen, dit impliceert dat het verlangen zichzelf verlangt (wat het verlangt is zichzelf, en dat wil zeggen, verlangen, dus het verlangen verlangt het verlangen). Als zodanig zijn de activeit van het verlangen, en dat wat verlangt wordt, niet meer te onderscheiden, en bestaan ze samen in één immanentie. Het Nederlandse werkwoord ‘verlangen’ is hier dus de perfecte uiting van, omdat het tegertijd kan verwijzen naar het zichzelf voortzetten, zichzelf verlengen, als ook naar het willen. In deze zin wordt, in Agamben’s vizie, dit verlangen dan ook constant bevredigd. Om deze reden staat Agamben’s idee van het zijn als verlangen dus recht tegenover het verlangen zoals dat door iemand als Zizek wordt gedefinieerd, waarbij het verlangen eigenlijk nooit vervuld kan worden, omdat het verlangde altijd aan het verlangen zou onstsnappen.
Het zijnde dat overeenstemt met dit begrip van zijn waarin zijn en conatus volledig samenvallen noemt Agamben, onder andere, het willekeurig zijnde. Hij schrijft dat de uitspraak “het willekeurig zijnde is begeerlijk” een tautologie is. Ik kan hier helaas bij het vertalen van het Italiaanse ‘desiderabile’ niet de eenheid met het werkwoord ‘verlangen’ behouden zoals dat bij het Italiaanse ‘desiderare’ wel gaat (er bestaat in het Nederlands namelijk niet een predicatief bijvoegelijk naamwoord dat afgeleid is van het werkwoord ‘verlangen’). Heel problematisch is dat echter ook niet omdat Agamben in zijn meest uitgebreide beschrijving van het willekeurig zijnde dit ook expliciet ‘het Begeerlijke’ noemt. Hij beschrijft zelfs de liefde aan de hand van dit zijnde. Volgens Agamben richt de liefde zich niet op die of deze eigenschap of eigenschappen van de geliefde, noch verwerpt het specifieke eigenschappen omwille van een algemene, universele liefde. De liefde, in tegenstelling, richt zich op het ding ‘als zodanig’, precies zoals het is. Dit ding enkel en alleen in z’n specifieke hoedanigheid, is het willekeurig-welk zijnde.
Volgens Agamben is het zijn waar het willekeurg-welk naar refereert het thema van de filosofie. Het ‘ding van het denken’, om zijn termen te hanteren, is dus het zijnde dat begeerlijk is, dat ‘desiderabile’ is; het object van het verlangen. Het filosofische denken is dus, voor Agamben, het denken van het begeerlijke, dat wil zeggen, het zijn in zoverre het begeerlijk is. Om dit ding te denken, dient het denken zelf een verlangen te zijn. Het filosofische denken, voor Agamben, is dus altijd al ook verlangen. Dit past perfect binnen het ‘immanentie-denken’ dat Agamben poogt te realiseren: het filosofische denken, als een verlangend denken, kan zelf niet meer goed onderscheden worden van het zijn als conatus, het zijn als verlangen. Het wordt er zelf deel van, en precies in die zin is het in staat het zijn te denken. (Dit is altijd het punt waar Agamben heen beweegt: daar waar het object van het denken en het denken zelf niet meer goed te onderscheiden zijn).
Om dit wat duidelijker te maken kun je denken aan het functioneren van een voorbeeld (een onderwerp waar Agamben zelf ook veel aandacht aan schenkt en wat een onmisbaar deel van zijn werk en methode is). Wanneer je aan een voorbeeld denkt van verlangen, dan ‘ervaar’ je in zekere mate het verlangen. Je ‘denkt’ terug aan een moment in je leven waarin je verlangen hebt ervaren, en ervaart het als het ware opnieuw. Het voorbeeld is dus een heel andere vorm van ‘kennis’ dan een in taal uitgedrukte uitleg. Het ‘denken aan’ doormiddel van het voorbeeld staat dus heel dichtbij – ‘niet onderscheidbaar’ dichtbij, om zo maar te zeggen – het daadwerkelijke verlangen zelf. Agamben refereert ook wel aan Deleuze’s ‘contemplatie zonder kennis’, wat er een duidelijke titel voor is.
Agamben’s werk biedt dus een beeld van het denken als verlangend. Maar, hoe kunnen we dit opgerekte begrip van verlangen nog begrijpen binnen de context van ons alledaagse leven? Wat hebben de totaliteit van het zijn als conatus, als een verlengend verlangen van en naar zichzelf, en het denken dat daarmee overeenstemt, te maken met alledaagse verlangens?
In een poging om het denken als verlangend zoals dat in Agamben’s werk naar voren komt meer aan het alledaagse te koppelen, ga ik het in verband brengen met Michael Pollan’s behandeling van verlangen in zijn boek The Botany of Desire: A Plant’s-Eye View of the World. In dit werk bespreekt Pollan de geschiedenis van de domesticatie van de mens door vier verschillende planten: de appelboom, de wietplant, de tulp en de aardappel. Ja, niet de domesticatie van deze planten door de mens, maar de domesticatie van mensen door deze planten. Pollan laat zien hoe deze planten in een symbiotische relatie staat met de mens aan de hand van een specifiek menselijk verlangen, zoals het verlangen naar zoetheid of naar schoonheid. Pollan schrijft dat “Mijn uitgangspunt is dat deze menselijke verlangens een deel vormen van de natuurhistorie op dezelfde manier als de kolibries’ liefde voor rood, of als het verlangen van de mier naar het honingdauw van de bladmuis.” Op basis van dit uitgangspunt heeft Pollan een boek geschreven over “spelers in een co-evolutionair drama, een dans van menselijk en vegetatief verlangen die de planten noch de mensen die eraan deelnemen onveranderd heeft gelaten”.
Wat Pollan in dit boek eigenlijk in essentie doet is het menselijk verlangen plaatsen in een theoretisch kader van co-evolutie en symbiose. Symbiose is grofweg het samen overleven van twee of meerdere soorten op basis van hun biologie. Het verlangen wordt hier begrepen als een uiting, als een inherent mechanisme van symbiose. Het kan dus gezegd worden dat Pollan’s onderzoek laat zien dat Spinoza’s conatus-begrip nooit enkel als een verlangen naar zelfbehoud begrepen dient te worden, of eerder kan worden, maar ook altijd als een verlangen naar ‘samenbehoud’. Het verlangen tot zelfbehoud is altijd al een aantrekkingskracht naar de ander waarmee ik mijzelf en dat andere, in deze samenkomst, kan verlengen, kan behouden. Het verlengen van jezelf impliceert het verlengen van de anderen waarmee de ecologische dans gedanst wordt. In het kort, verlangen kan begrepen worden als de voornaamste symbiotische functie in de relatie tot anderen zijnden: het is dat wat de verschillende soorten bij elkaar brengt en houdt. En ook hier is het Nederlandse ‘verlangen’, als zowel willen als ook verlengen, perfect op van toepassing.
Hoe kan dit nu Agamben’s denken als verlangen verhelderen? De kern van Agamben’s idee van het denken als verlangen dat ik gedestileerd heb uit zijn werk is dat zowel het verlangen als ook het denken hetzelfde object hebben, namelijk het zijnde ‘als zodanig’, dat wil zeggen, het zijnde dat niet begrepen wordt op basis van deze of die eigenschappen, maar het zijnde ‘met al diens eigenschappen’, precies zoals het is. Het zijnde zoals het zich tentoonstelt in het voorbeeld. Dit ‘als zodanig’ wordt gekenmerkt door een element, een ‘inoperativiteit’, dat zich nooit laat vangen in identiteit, in eigenschappen. Het zijnde is altijd méér, er is altijd een potentialiteit die ontsnapt aan de actualiteit die het zijnde wordt opgelegd.
Als we ons met Pollan indenken dat mijn verlangen voor de appel niet een subject-object relatie met de appel ‘op zichzelf’ betreft, maar een symbiotische relatie tussen mij en de appel is, dan toont de appel zich niet als een geisoleerd en duidelijk te identificeren object. In tegenstelling, de appel wordt begrepen in zoverre deze verlangd wordt en verlangend is: opgenomen in een ecologisch netwerk van symbiotisch verlangen, waarin elk zijnde verlangt en verlangen wordt door verschillende zijnden, die weer op hun beurt relaties van verlangen, dat wil zeggen van symbiose en samen verlengen, hebben met andere zijnden, en zo door. Dit ecologische verlangen van samen overleven, van symbiose, kent geen kader, maar realiseert zich als een rizoom. Het verlangde object, dat wil zeggen, de ander precies in zoverre deze verlangd wordt (en zelf verlangd) wordt begrepen als iets dat altijd weer met méér in relatie staat, en daardoor dus ook nooit tot een identiteit, een kennis gereduceerd kan worden. Het toont zich, precies, als zodanig. De identeit wordt altijd opgeschort, en dit zelf is de identiteit.
In het kort, Pollan’s Botany of Desire laat het zijn als conatus zien als een verlangen tot de constitutie van zichzelf en van anderen als verlangend (zowel in de zin van willen als ook in de zin van verlengen), en dit is precies het zijn ‘als zodanig’, het zijn dat nooit uitgeput raakt door deze of die identiteit.
(Het ‘als zodanig’ wordt hier dus een altijd bewegende relationaliteit van verlangen, het ecologisch-zijn.)
Het is belangrijk om nogmaals te benadrukken dat het denken dat Agamben als filosofisch beschouwt een hele specifieke vorm van denken is, gebaseerd op het functioneren van het voorbeeld: een contemplatie zonder kennis. Agamben contrasteert dit denken met het denken dat inherent categoriseert en onderscheidt. Als zodanig is er ook een equivalent verlangen dat categoriseert en onderscheidt. Denk bijvoorbeeld aan de minnaar die precies naar de ander ‘verlangt’ op basis van een aantal specifieke eigenschappen (en wat nogmaals het samenvallen van denken en verlangen laat zien). Dit is een verlangen dat noodzakelijk gebaseerd is op een geconstrueerd beeld van de ander, dat de ander reduceert tot dit beeld, en daardoor nooit de ander als zodanig ziet. In contrast tot een dergelijk verlangen en denken kunnen we het denken als zowel verlangend en verlengend aftekenen. Dit is namelijk een denken dat, in de termen van Agamben, elke eigenschap of identiteit deactiveert. Deze deactivatie is het loswrikken van elk vastgeroest antwoord, om het denken weer in beweging te brengen. Het is de contemplatie bevrijden van de kennis omwille van de contemplatie zonder kennis. In deze zin verlengt en verlangt het denken ook altijd zichzelf: het is het tegendeel van een denken dat leidt tot een conclusie en een identiteit; de enige conclusie waartoe dit denken leidt is meer denken. Dit is echter anders dan een kritiek die bekritiseert omwille van het bekritiseren, een kritiek waarbij het antwoord altijd ontbreekt (zoals het verlangen van Zizek dat nooit bevredigd kan worden). Het antwoord is precies dat wat aan het licht komt in de contemplatie zonder kennis, in het voorbeeld: het zijn als zodanig, met al diens verlangens.
Illustratief is Pollan’s discussie van verschillende manieren waarop we ons hebben verhouden tot de planten die ons hebben gedomestiseert door de geschiedenis heen. Zo zijn we op een punt aangekomen waarop er nog maar een paar verschillende soorten appels verkocht en geproduceerd worden (en hetzelfde geldt eigenlijk voor alle andere soorten gewassen). In andere woorden: monocultuur heerst. Ik geloof dat we monocultuur kunnen definiëren als een uiting van het denken en verlangen aan de hand van ideniteit en eigenschappen. Monocultuur is immers het resultaat van de zoektocht naar perfect ‘zoete’, ‘rode’, ‘grote’ en ‘ronde’ appels, dat wil zeggen, een verlangen naar deze eigenschappen en niet naar de appel als zodanig, de appel met de potentie anders te zijn. Deze monoculturen zijn veel gevoeliger voor ziektes en pesten, en vereisen daarom meer en meer pesticiden om in stand te houden (die vervolgens weer tot andere problemen leiden). Een alternatief ziet Pollan in iemand als Johnathan Chapman, of beter bekend als Johnny Appleseed. Hij introduceerde appelbomen in een groot deel van Amerika, waar hij ze groeide en vervolgens verkocht. Specifiek aan Chapman was dat hij de appelbomen vanuit het zaadje groeide, in tegenstelling tot het enten van bomen, waarbij je een deel van een plant (de ent) vastmaakt aan de onderstam van een andere boom. Op deze manier kun je garanderen dat je een bepaalde plant, in dit geval die met een bepaalde vrucht, exact reproduceert. Bij het groeien van een appelboom uit een zaadje heb je te maken met een willekeurig DNA, dat volledig anders kan zijn dan de appel waaruit het zaadje afkomstig is. Op deze manier een boomgaard houden betekent dus dat je ongetwijfeld veel oneetbare of onsmakelijke appels produceert, maar ook dat je de potentialiteit van de appel en diens relaties van verlangen in leven laat. Pollan stelt dat met monocultuur, “beperk je de natuurlijke capaciteit van een soort om te evolueren”. Je onttrekt het zijnde aan zijn ecologie van verlangen en probeert daarmee zijn vermogen altijd méér te zijn af te nemen.
Om te concluderen en op te sommen:
Ik heb laten zien dat Agamben een visie schept van een vorm van denken dat overeenstemt met het zijn als conatus in de dubbele betekenis van Nederlandse werkwoord ‘verlangen’, en dus daarom zelf ook verlangend is.
Door te kijken naar Pollan’s The Botany of Desire heb ik dit conatus-begrip vervolgens verder uitgewerkt door te laten zien dat het verlangen naar zelfbehoud ook een verlangen is naar het verlangen (in beide betekenissen) naar de ander, het verlangde. Dit begrip van onze alledaagse verlangens laat het verlangen eveneens zien als een verlangen naar het verlangen, naar de verlangende relatie zelf, naar het samen-overleven, en dus naar het zijnde in zoverre het in een onvatbaar, niet te identificeren netwerk van verlangen staat: het zijn als zodanig.
Het denken dat hiermee overeenstemt is inderdaad een denken dat niet antwoord, niet identificeert, maar dat deactiveert en meer denkt. Een contemplatie zonder kennis.
Het is onvermijdelijk dat ik, door middel van mijn interpretatie van Agamben, zijn werk verder heb uitgewerkd, dat ik een interpretatie heb geformuleerd die voorbij gaat aan het origineel. Agamben’s eigen werk omvat echter ook altijd de ontwikkeling van andermans werk, van een denkpad dat al in gang is gezet door anderen. Zelf verwijst Agamben naar een term van Feuerbach, namelijk de Entwicklungsfähigkeit, ofwel de mogelijkheid tot ontwikkeling, wat volgens hem het ‘echte filosofische element’ is van een werk. Maar dit is dus precies het verlangende en liefhebbende karakter van het denken, het denken dat verlangd, langer maakt, zichzelf verlangd.




Comments